Mijn naam was Muis, hoewel ik zelf bepaald niet op een muis leek. Ik was een kleine, witte poes met groene ogen en een roze neus. Ik woonde met Noor in een rustige straat in Amersfoort.
Elke avond kwam ze thuis, gooide haar tas op de stoel en riep:
—Waar is mijn meisje?
Dan rende ik naar haar toe. Ze tilde me op, ook al deed ze alsof ik veel te zwaar was.
Op een woensdagmiddag bleef de voordeur van het gebouw openstaan. Een muis schoot langs de plint naar buiten. Mijn instinct was sneller dan mijn verstand.
Ik joeg hem de stoep op, tussen fietsen door en langs een heg. Toen hij verdween, stond ik in een onbekende straat.
Ik zocht urenlang naar de weg terug. De geur van regen, uitlaatgassen en natte stenen maakte alles onherkenbaar. Tegen de avond kroop ik onder een bankje bij een plantsoen.
Daar vond meneer De Vries mij.
Hij droeg een donkerblauwe jas en een wollen muts met een pompon. In zijn boodschappentas zaten aardappelen, melk en gerookte makreel.
—Zo, zei hij. — Jij hebt een slechte dag gehad.
Ik blies naar hem.
—Dat mag. Ik heb er zelf ook een paar gehad.
Hij legde wat vis op een papiertje en deed een stap achteruit. Pas toen ik alles had opgegeten, stak hij zijn hand uit.
Zijn vingers waren koud, maar zijn aanraking was voorzichtig.
—Kom maar mee. Buiten slapen is voor niemand goed.
Zijn appartement was netjes en stil. Op de vensterbank stonden lege bloempotten. In de woonkamer hing een foto van een vrouw die breed lachte.
—Mijn vrouw Els, vertelde hij. — Zij is drie jaar geleden overleden. Sindsdien heb ik geen plant meer levend gehouden.
Hij droogde mijn vacht, vulde een schaaltje met water en maakte van een oude deken een mandje. Die avond zat hij voor het eerst in maanden niet alleen aan tafel. Hij at brood. Ik kreeg een stukje kip.
—Je blijft één nacht, zei hij streng.
De volgende ochtend kocht hij kattenvoer.
Meneer De Vries zocht naar mijn eigenaar. Hij belde de dierenambulance, bezocht een dierenarts en hing briefjes op in de supermarkt.
Noor deed intussen hetzelfde. Ze fietste door de buurt, keek in schuurtjes en riep mijn naam tot laat in de avond.
Op haar posters stond:
“MUIS WORDT VERMIST. Wit poesje, groene ogen. Ze hoort bij mij. Bel alstublieft, op elk tijdstip.”
Na een week zag meneer De Vries zo’n poster bij de bushalte.
Hij bleef er lang voor staan.
Thuis zat ik op de rugleuning van zijn stoel. Hij nam me op schoot.
—Je heet dus Muis. Dat is wel een vreemde naam voor een kat die achter muizen aan rent.
Ik legde mijn kop tegen zijn arm.
—Er mist iemand jou.
Hij pakte zijn telefoon, maar belde niet meteen. In de afgelopen dagen was hij weer tegen iemand gaan praten. Hij had de gordijnen geopend, de radio aangezet en zelfs een nieuwe plant gekocht.
Het vooruitzicht dat hij straks opnieuw alleen zijn sleutel in de deur zou steken, drukte zwaar op hem.
Toch belde hij.
Noor stond twintig minuten later voor de deur. Haar haar was nat van de regen en haar ogen waren rood.
—Muis!
Ik sprong uit de stoel. Noor zakte op haar knieën en sloeg haar armen om me heen.
—Ik dacht dat ik je kwijt was. Ik dacht echt dat je nooit terugkwam.
Meneer De Vries keek naar de grond.
—Ze heeft goed gegeten.
Noor zag de krabplank, het kussentje en de speelgoedbal naast zijn stoel.
—U hebt heel goed voor haar gezorgd.
—Ze had zorg nodig.
—Volgens mij niet alleen zij.
Hij keek op, bijna beledigd.
—Ik red mezelf prima.
—Dat geloof ik. Maar prima is niet hetzelfde als gelukkig.
Noor nam mij mee naar huis. De volgende ochtend zat ik echter lang bij de voordeur en miauwde.
Die zondag gingen we terug. Noor bracht appeltaart mee. Meneer De Vries had al koffie gezet en een bakje voor mij klaargezet.
Daarna werd zondag onze vaste dag.
Langzaam veranderde zijn appartement. Er kwamen bloemen op de vensterbank. De lege stoel tegenover hem werd weer gebruikt. Noor hielp hem met zijn telefoon, hij leerde haar hoe ze erwtensoep moest maken zonder dat die waterig werd.
Wanneer Noor voor haar werk naar Utrecht moest, logeerde ik bij hem.
—Het is geen oppassen, zei hij tegen de buurvrouw. — De kat kiest zelf waar ze verblijft.
Op zijn verjaardag gaf Noor hem een ingelijste foto. Daarop zaten hij en ik samen op het balkon.
Meneer De Vries keek ernaar en slikte.
—Els zei altijd dat ik niet gemaakt was om alleen te zijn.
—Ze kende u goed.
Een jaar later werd hij ziek. Hij vergat afspraken en verdwaalde soms in zijn eigen buurt. Noor zorgde dat hij hulp kreeg. Ze bracht boodschappen, ging mee naar de huisarts en hing een kaartje met zijn adres in zijn jas.
Op een middag raakte hij vermist.
Noor zocht samen met de politie. Uiteindelijk vonden ze hem op het bankje waar hij mij jaren eerder had aangetroffen.
Ik zat bij hem.
Niemand begreep hoe ik uit Noors huis was gekomen of hoe ik hem had gevonden. Ik lag tegen zijn zij terwijl hij verdwaasd naar de bomen keek.
—Ik wist dat ze me zou halen, zei hij.
Niet lang daarna verhuisde hij naar een kleinschalig verzorgingshuis. Dieren waren daar normaal gesproken niet toegestaan, maar de medewerkers maakten voor mij een uitzondering op zondag.
Zodra ik de gang in kwam, veranderde zijn gezicht.
—Daar is mijn reddingsploeg.
Op zijn laatste dag zat Noor naast hem. Ik lag op het bed, met mijn kop op zijn hand.
—Toen ik haar vond, dacht ik dat ze verdwaald was, fluisterde hij.
Noor kneep zacht in zijn vingers.
—Dat was ze ook.
Hij keek naar mij en glimlachte.
—Nee. Ze wist precies waar ze moest zijn.
Soms begint een familie niet met dezelfde achternaam of hetzelfde bloed. Soms begint ze met een openstaande deur, een natte kat onder een bankje en een eenzame man die besluit zijn laatste stukje vis te delen.







