Mevrouw Ans uit Amersfoort was 64 toen ze voor het eerst zonder haar man naar de markt ging.
Henk had altijd de vis gehaald, altijd de bloemen gekozen, altijd gezegd: “Neem jij maar rustig de kaas, ik regel de rest.” Na zijn overlijden bleef Ans maandenlang thuis. De markt, met al die stemmen en geuren, deed te veel pijn.
Maar op een zaterdag in mei trok ze toch haar nette jas aan. Ze wilde tulpen kopen. Gele, zoals Henk altijd meenam.
Bij de bloemenkraam ging het mis. De verkoper vroeg vriendelijk wat ze wilde, maar Ans keek naar de emmer met gele tulpen en kreeg geen woord meer uit haar keel. Haar ogen vulden zich met tranen.
— Mijn man… — begon ze, maar verder kwam ze niet.
Achter haar stond een vrouw met grijs haar en een boodschappentas vol appels. Ze legde zacht een hand op Ans haar arm.
— Waren gele zijn lievelingsbloemen?
Ans knikte.
De vrouw zei niets meer, maar kocht twee bossen tulpen. Eén voor zichzelf en één voor Ans.
— Deze zijn van hem, — zei ze. — Maar vandaag draag ik ze even voor u naar huis, goed?
Ze liepen samen door de straten van Amersfoort. Langzaam. Alsof ze elkaar al jaren kenden. Ans vertelde over Henk, over zijn grapjes, over zijn gewoonte om elke zaterdag haring te eten ook al zei de dokter dat hij rustiger aan moest doen.
Bij de voordeur gaf de vrouw haar de bloemen en zei:
— Rouw wordt niet lichter omdat iemand zegt dat het tijd wordt. Rouw wordt lichter als iemand even meedraagt.
Ans heeft haar daarna nooit meer gezien. Maar vanaf die dag durfde ze weer naar de markt.
En elke lente kocht ze twee bossen gele tulpen. Eén voor Henk. Eén om weg te geven aan iemand die keek alsof de wereld net iets te zwaar was geworden.
Soms doet een onbekende niet veel. Alleen meelopen. Maar voor iemand die alleen is, kan dat alles betekenen.


